Steeds meer bedrijven maken gebruik van huisarbeid, ook «telewerk» genoemd. Indien dit telewerk in een gehuurd gebouw wordt verricht, kan dat wel eens onaangename gevolgen hebben voor de eigenaar (Vr. en Antw., Kamer, zitting 2001-2002, nr. 50/102 ? Vr. nr. 684 Eerdekens, 8 mei 2001).
Begrip «thuiswerk»
De Wet van 3 juli 1978 (art. 119.1, ingevoerd bij art. 4 W. 6 december 1996) definieert de arbeidsovereenkomst voor huisarbeid als een overeenkomst waarbij de huisarbeider tegen loon arbeid verricht onder het gezag van een werkgever, in zijn woonplaats of op elke andere door hem gekozen plaats, zonder dat hij onder het toezicht of de rechtstreekse controle van deze werkgever staat. Het gaat om een overeenkomst voor werklieden of bedienden naargelang de huisarbeid hoofdzakelijk slaat op manuele of op hoofdarbeid.
De Memorie van Toelichting bij de wet (Parl. Doc., Kamer, 232/1 ? 95/96, p.2) bepaalt dat de overeenkomst voor tewerkstelling van huisarbeiders zich door twee elementen van andere overeenkomsten onderscheidt :
* de huisarbeider verricht zijn werk op een plaats die hij zelf gekozen heeft en die bijvoorbeeld zijn eigen woning of een tweede verblijf kan zijn;
* de huisarbeider werkt niet onder het toezicht of de rechtstreekse controle van de werkgever.
In dat kader bepaalt de wet dat een forfait van 10 % van de bezoldiging dient voor de terugbetaling van de kosten die inherent zijn aan de huisarbeid, tenzij de werknemer met behulp van bewijsstukken aantoont dat de werkelijke kosten meer dan 10 % van zijn bezoldiging bedragen.
Er moet hierbij echter een onderscheid tussen twee soorten kosten gemaakt worden :
* de kosten voor de hulp, de hulpmiddelen en de materialen die nodig zijn voor de uitvoering van het werk;
* de bijkomende kosten van elektriciteit, verwarming, water, enz. die door het forfait van 10 % gedekt zijn.
Krachtens de wet is de werkgever ertoe gehouden de nodige materialen, hulpmiddelen en hulp voor de uitvoering van het werk ter beschikking te stellen.
Het spreekt voor zich dat de bepaling van de nodige materialen en de hulp afhangt van de aard van het werk. Een maakloonwerker zal niet hetzelfde soort materialen nodig hebben als een informaticus. De aard van het werk is ook bepalend voor de omvang van eventuele aanpassingswerken uit te voeren aan het huis waar het werk wordt uitgevoerd.
Onder kosten die inherent zijn aan huisarbeid wordt onder meer het volgende verstaan :
* elektriciteitskosten;
* verwarmingkosten;
* kosten van waterverbruik;
* kosten van gasverbruik;
* kosten van de telefoonlijnen;
* huisvestingskosten;
* onderhoudskosten met betrekking tot de plaats waar het werk uitgevoerd wordt;
* afschrijving van het meubilair en de kantoorbenodigdheden.
Gevolgen van huisarbeid voor een eigenaar
Welke gevolgen zal de huisarbeid hebben wanneer een werknemer zijn activiteit uitoefent in een ruimte van een woning die hij van een derde huurt ?
Principe van de belasting van de huur
Voor een verhuurd onroerend goed stemt het belastbaar inkomen in hoofde van de eigenaar overeen met het totale nettobedrag van de huur en de huurvoordelen wanneer de huurder dit gebouw, zelfs gedeeltelijk, voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid gebruikt (art. 7, § 1, 2° WIB 92).
De wetgever heeft hiermee het netto huurbedrag willen belasten dat de belastingplichtige int telkens als deze huur ergens wordt of moet worden geboekt (als beroepskosten, als uitgaven van een VZW, enz.).
Het nettobedrag van de huur en de huurlasten wordt bekomen door de volgende percentages als onderhouds- en herstelkosten af te trekken van het brutobedrag :
* 10 % voor de ongebouwde onroerende goederen;
* 40 % voor de gebouwde onroerende goederen alsook voor het materiaal en de outillage die van nature of door hun bestemming onroerend zijn.
Het aftrekbare gedeelte van 40 % voor de gebouwde onroerende goederen mag evenwel niet meer dan 2/3 bedragen van het kadastraal inkomen dat met een jaarlijkse bij K.B. vastgelegde coëfficiënt, geherwaardeerd wordt (3,35 voor het aanslagjaar 2003).
Huisarbeid = beroepsmatig gebruik
Volgens de Minister gebruikt een natuurlijke persoon het gebouw voor de uitoefening van zijn beroepswerkzaamheid :
* ofwel wanneer hij de volledige of gedeeltelijke aftrek van de huur of de huurlasten als beroepskosten eist;
* ofwel wanneer hij van zijn werkgever de terugbetaling verkrijgt van de uitgaven die eigen zijn aan deze laatste en die geheel of gedeeltelijk de huurprijs en de huurlasten betreffende het beroepsmatig gebruik van het onroerend goed dekken die op hun beurt bij de werkgever als beroepskosten of -uitgaven geboekt worden.
Aangezien de huisvestingskosten deel uitmaken van de kosten die inherent zijn aan huisarbeid, zal de eigenaar van het gebouw belastbaar zijn op het totale bedrag van de huur en de huurvoordelen.
De eigenaar kan de schade evenwel beperken door het gebouw op te splitsen in een privé- en in een beroepsgedeelte. Artikel 8 van het WIB 92 bepaalt immers dat het netto-inkomen van de onroerende goederen die verhuurd worden aan natuurlijke personen die deze gedeeltelijk voor de uitoefening van hun beroepswerkzaamheid en gedeeltelijk voor andere doeleinden gebruiken, voor elk gedeelte afzonderlijk bepaald wordt wanneer de huur en de huurlasten met betrekking tot deze beide gedeelten duidelijk vastgelegd zijn in een geregistreerde huurovereenkomst.
In dit geval is het inkomen van het privé-gedeelte gelijk aan het evenredig verhoogde K.I. met betrekking tot dat gedeelte terwijl het beroepsgedeelte gelijk is aan het totale bedrag van de huur en de huurvoordelen.
Het bestaan van een geregistreerde huurovereenkomst is een absolute vereiste. De Administratie kan ook dan nog altijd inroepen dat de opsplitsing niet beantwoordt aan de realiteit, maar zij draagt dan wel de bewijslast.
Clausule in de huurovereenkomst
Het valt vaak voor dat de eigenaar een clausule in zijn huurovereenkomst opneemt die de huurder verbiedt om het gehuurde goed voor beroepsdoeleinden te gebruiken.
Hoewel deze clausule volgens een heersende tendens in de rechtspraak niet tegenstelbaar is aan de fiscus, zou de eigenaar nog steeds een financiële schadeloosstelling van de huurder/huisarbeider kunnen eisen, hetzij op basis van een minnelijke schikking, hetzij voor een burgerlijke rechtbank.